Kweekresultaat met de Amethyst glansspreeuw - Cinnyriclinclus leucogaster.

Een mooi kweekverslag van deze fraaie spreeuwensoort, overgenomen van Ben Doensen.

Beschrijving:

De vogels komen uit Noordwest Afrika en Senegal. Er zijn enkele ondersoorten van hem bekend: Cinnyriclinclus leucogaster arabicus uit Soedan, Somalië, en Ethiopië. Cinnyriclinclus leucogaster friedmanni uit Z.Ethiopië Cinnyriclinclus leucogaster verreauxi uit Angola tot Kenia en de Kaap provincie. Daar komen zij in de wouden en open bossen voor. Soms trekken zij in grote troepen rond. Ze doen zich vaak tegoed aan de zwermen termieten. Ook zijn ze dol op verschillende soorten vruchten. Opvallend bij deze vogels is dat de man en de pop verschillend zijn van kleur, dit komt maar heel weinig voor bij spreeuwen.
 

De man:

Het is de man die zijn naam eer aan doet. De vogel wordt wel als een van de mooiste spreeuwen beschouwd. De kop, het bovenste deel van de borst, de rug en de staart hebben de kleur van de amethist, een halfedelsteen. Afhankelijk van de lichtinval lijken de veren het ene moment donker paars, zelfs op het zwart af, en dan weer blauw met een roze gloed. Staart en slagpennen zijn blauwachtig zonder weerschijn, de rest van het onderlichaam tot aan de onderstaart is wit. De ogen zijn helder strogeel met zwarte iris, poten en snavel zwart.
 

De Pop:

De veren op de kop en de rug zijn voor een groot deel donker bruin met lichtbruine randen. Het geheel maakt een gestreepte indruk. De keel, borst en buik zijn wit met donker bruine verticale streepjes. De vleugels hebben een aantal roestbruine veren die alleen in de vlucht te zien zijn. Ook de pop heeft een gele oogring. Typerend is verder de heldergele snavelbasis, die vaak bij volwassen poppen de indruk wekt dat het om jonge, net uit het nest gekomen vogels gaat. Het formaat is 17 cm.
 

Gedrag:

Sinds twee jaar bezit ik nu deze prachtige spreeuwen. Ze zijn erg rustig en totaal niet agressief naar medebewoners. Buiten het broedseizoen laten man en pop elkaar links liggen. Vroeg in het voorjaar, zo vanaf half april vallen de vogels in de rui en trekt de man zijn mooiste pak aan. Een man zittend in de zon, is een lust voor het oog en met zijn gezang ook voor het oor. De roep is klagend, soms lijkt het wel op het miauwen van een kat. Zoals gezegd zijn ze vrij rustig en zoeken bij felle zon de schaduw in het gebladerte van de bomen op. Ondanks de felle kleuren kunnen ze zich toch “onzichtbaar” maken. Tegen de avond worden ze dan weer actief en kunnen ze nog laat hun rondjes vliegen.
 

Voeding:

In het wild komt de vogel in grote delen van Afrika bezuiden de Sahara en in het uiterste zuidwesten van het Arabische schiereiland voor. Hij kiest daar open bosland uit, waarbij menselijke nederzettingen niet worden geschuwd. Als de levensvoorwaarden het gehele jaar door gunstig zijn, vindt er geen trek plaats. In sommige streken zijn de vogels echter gedwongen om in de droge tijden van het jaar uit te wijken naar gunstiger oorden. Het voedsel bestaat uit vruchten en insecten. De amethyst glansspreeuwen zoeken dit voedsel voornamelijk in de boomkruinen. Ook zijn er wel waarnemingen van amethyst glansspreeuwen die insecten in de volle vlucht vingen. Ze komen maar zelden op de grond. Baden doen ze graag en uitbundig. 
 

Balts:

Baltsen doet de man pas als hij geheel door de rui is en dus op zijn mooist. Nadat hij eerst wat gezongen heeft, gaat hij voorover op een tak liggen en trilt met zijn afhangende vleugels en staart. Als de pop hierdoor gecharmeerd wordt, gaat zij op een afstandje naast hem zitten en doet hetzelfde als de man. De afstand tussen de vogels wordt kleiner doordat ze beiden naar elkaar toe opschuiven. Plots houdt de man op met trillen en bevliegt hij de pop. Echt achter elkaar aanjagen heb ik niet kunnen waarnemen. Wel worden er schijngevechten gehouden, waarbij toch wel enkele veertjes rondstoven. 
 

Nestbouw:

Het gehele jaar hebben de vogels voor de opgehangen nestkasten geen interesse. Daar ik wist, dat de vogels in de vrije natuur olifantenmest gebruiken bij hun nestbouw, heb ik hen bij gebrek hieraan als alternatief verse paardenmest mest gegeven. In een hoek van de volière deponeerde ik twee volle emmers. Bijkomend voordeel was, dat de reuk veel insecten aantrok, waar de overige vogels weer volop van profiteerden. En, wat het belangrijkste was, de spreeuwen accepteerden dit vervangmiddel als ideaal nestmateriaal. Ze hakten stukken uit de paardenvijgen en sleepten dit naar diverse nestkasten. Tot het moment van het leggen van het eerste ei, had ik echt geen idee welke nestkast door hen uitverkoren was. In alle kasten lag wel iets. Ook groen blad van de klimop en takjes en ander natuurlijk afval werd gebruik. Ook nog na het leggen van de eitjes en tijdens het broeden werd nestmateriaal aangesleept. Echter nu alleen in het uitverkoren blok. Dit was een blok van 40 cm hoog en 18 cm breed en lang. De invliegopening was 4,5 cm. 
 

Eieren:

Op vrijdag 21 mei werd het eerste ei gelegd. Op zaterdag volgde het 2de. Deze eieren waren lichtblauwachtig groen van kleur en voorzien van bruinige vlekjes onregelmatig verspreid over het hele ei. Gebroed werd vanaf het 2de ei. Vanaf het leggen van het eerste ei bemerkte ik voor het eerst, dat Amethistspreeuwen ook agressief kunnen worden. De Japanse pestvogels hadden geen leven meer. Deze heb ik moeten uitvangen, terwijl de Roodstaartminla’s en Japanse nachtegalen gewoon op het nestblok mochten komen en er zelfs op bleven zitten. Tijdens het broeden werd nog dagelijks nestmateriaal in de vorm van groene blaadjes in het nest gedragen. Na 13 dagen (5 juni) broeden kwamen de eitjes uit, een drukke tijd brak voor de ouders aan.
 

Jongen:

‘s Ochtends, 5 juni, waren er dan twee jongen. Ze waren rozerood van kleur en hadden bijna geen dons op het lichaam. Beide oudervogels gingen met voedsel de nestkast binnen. Er werden Pinky’s, Buffalowormpjes en (witte)meelwormen gevoerd. Toen ze 6 dagen oud waren werden ze geringd met 4,3 mm. Hoewel de oudervogels de nestkast pijnlijk schoon hielden, lieten ze de ringen dus ongemoeid. Opvallend is wel dat ze ijverig door bleven gaan met het aandragen van nestmateriaal. Op 11 juni openden de jongen hun ogen en kwamen de eerste slagpennen aan de vleugeltjes door. De eerste veertjes aan de buikzijde waren op 14 juni te zien. De jongen begonnen vanaf die tijd in toenemende mate paniekerig te reageren als ik de nestkast opende. Blijkbaar begonnen ze waar te nemen wat er om hen heen gebeurde. Ik ben dan ook terughoudender geworden met de dagelijkse inspecties omdat ik niet het risico wilde lopen dat de jongen in paniek de nestkast zouden verlaten. Op 21 juni waren de jongen volledig in de veren, alleen de staartjes waren nog erg kort. Twee dagen later vlogen ze uit. Eerst fladderden ze her en der door de volière en botsten ze overal tegenaan. Voor het eerst hoorde ik nu de alarmkreet van de amethyst glansspreeuw. De man stootte een door merg en been gaand gekrijs uit. De jongen waren binnen een dag echter al veel handiger in het vliegen en het plaatsnemen op takken. Doordat ze doodstil bleven zitten waren ze maar moeilijk te zien. De kleur van hun verenkleed is bijna gelijk aan dat van de pop, alleen zijn de lichtbruine randen rond de veren op de rug veel breder. De strepen op de borst en buik lijken ook groter. Toen na enkele dagen de staarten op lengte waren, was het onderscheid met de pop maar erg klein. 14 dagen na het uitvliegen zag ik, dat ze al zelf voedsel opnamen, en nog een goede week later werden de jonge spreeuwen door de oude man verjaagd van de voederplank. Dus tijd om ze uit te vangen en in een aparte volière te plaatsen.
 
Een mooi resultaat met deze mooie vogels.

Ben Doensen

 

Reacties (1)add
Schrijf reactie

busy