Mijn Volière Cees Bakker

Mijn volière

 

Januari 2016, Na lange getwijfeld te hebben en vele pogingen mijn vrouw over te halen heb ik eindelijk toestemming en gaat het nu gebeuren. Een nauwelijks gebruikt terras van 600 x 250 cm wordt opgeofferd voor de bouw van een volière. Onze  blokhut achter in de tuin mag ik niet gebruiken maar kan wel mooi als sluis dienen voor het toekomstige nachthok. Deze blokhut staat op een verhoogd hardhouten bordes en wordt afgesloten met een stevig verankert muurtje van 80 cm hoogte.

Voor de fundering wordt een sleuf gegraven van 70 cm diepte en als basis opgevuld met 5 cm zand. De fundering zelf bestaat uit plat gelegde betonbanden van 7 x 20 cm met daar recht op staand de over gebleven terras tegels van 40 x 40 cm. Dan 3 lagen Linea blokken (12 x 12 cm) aan de achterzijde en 2 lagen aan de voorzijde. Alles stevig verlijmd met daarvoor bestemde PUR schuim. (wat een troep is dat). Hiermee is de basis ontstaan voor een hok van 600 x 200 cm.

Alle wanden zijn dubbel uitgevoerd. De achterwand naar de schutting is van Zweeds rabat met aan de binnenzijde tweedehands meranti multiplex platen. Ook het nachthok van 270 x 170 cm is dubbelwandig. Dubbelwandig houd risico op muizen in maar geeft me gelijk de mogelijkheid om de binnenwanden zo naadloos mogelijk af te werken en dat verminderd weer de kans op kleiner ongedierte zoals vlooien, luizen en mijten. Een dubbelwandige ruit van 90 x 180 cm zal het inzicht naar de vogels in het nachthok zo mooi mogelijk maken. Onder in het bestaande muurtje tussen het nachthok en de buiten volière is met veel moeite een steen verwijderd zodat ook grondvogels naar binnen kunnen. Het klepraampje in de blokhut is vervangen voor een zelfgemaakt deurtje van 75 x 170 cm. Hierdoor ontstaat  eenvoudig een perfecte sluis voor de ingang naar het nachthok.



De buiten volière moet een verlenging van de tuin worden, dus met veel groene struiken. Het dak is dan een punt van twijfel, dicht of open?  Uiteindelijk valt de keus op een gedeelte dicht 2/3 en een klein deel open1/3. Het dichte dakdeel is van dubbelwandige polycarbonaat platen met daarvoor een strook van 70 cm open met gaas.

Nu zal er onder het dichte dak weinig regenwater vallen en zal ook de natuurlijke reiniging van de struiken niet gebeuren. De oplossing daarvoor is het aanleggen van een eenvoudige sproei installatie. Een PVC buis van 500 cm en wat koppelingen met 5 sproeidopjes is snel en simpel te maken. Aansluiten aan de buitenkraan gaat door een tuinslang met snelkoppeling.

Nadat al het houtwerk en alle binnenwanden stevig in de beits gezet zijn worden ook alle overige kiertjes met siliconenkit gedicht. Zoals je ziet heeft ook de buiten volière een eigen ingang met sluis gekregen. De inrichting bestaat zo veel mogelijk uit groen blijvende struiken. 2x coniferen, 2x bamboestruiken, 1x sneeuwbal , 2x vlier en 1 kamperfoelie tegen de achterwand.




Het nachthok wordt verwarmd met  een “Aurora Vorstbescherming 500W FW100”. Dit apparaatje is speciaal aangeschaft om de vorst weg te houden met een minimum temperatuur van 5°.  Helaas blijkt de praktijk anders en is de minimum temperatuur niet lager dan 15° af te stellen. Dat is me te hoog en zal de elektriciteitsnota zwaar belasten. Uiteindelijk heb ik een extra thermostaat aangeschaft en dat blijkt de oplossing. Nu heb ik de temperatuur in mijn  nachthok perfect onder controle.

Voeren van de vogels doe ik binnen. Op een smal dressoir van 170 x 40 cm staat een zelfgemaakte voerbak van 120 x 40 cm. Deze bak heeft fijnmazig gaas aan de bovenzijde met 2 grote opvang laden daaronder. Hierdoor zal al het gemorste zaad of ander voedsel niet op de grond vallen en niet dienen als lokmiddel voor muizen. Een rij zitstokjes langs de wand met een leuk vogelhotel voor veilige slaapplaatsen maken het nachthok compleet.


 

Na het gereed komen van dit geheel in juli 2016 zijn de eerste vogels aangeschaft.

2 stel Gouldamadines, 1 stel Cubavinken, 1 stel Kapoetsen sijsjes, 4 Napoleon wevers (1 man + 3 poppen) , 1 stel Blauw fazantjes en 3 Chinese dwergkwartels.

Dit is mijn volière, graag zal ik over enige tijd nog eens een stukje schrijven over de ontwikkelingen van mijn hobby.

Cees Bakker

 

 

kweekresultaten met de Braziliaanse witborstral

Boeiende belevenissen met de Braziliaanse witborstral.

Toen ik mij geruime tijd had beziggehouden met kleine tropen, ging mijn gedachte uit in de richting van Vruchten- en Insecten¬etende vogels en al snel werden er Japanse nachtegalen, Brilvogels en Mandarijnspreeuwen aangeschaft. Met de twee eerst genoemde soorten werden al spoedig kweekresultaten behaald.

Mede hierdoor en vooral ook doordat ik die tijd de cursus in insecteneters volgde, werd het enthousiasme voor deze zachtvoeretende soorten steeds groter. Iedere keer na afloop van zo’n cursusdag werd op de terugreis van Maarn richting Lutjebroek gestopt bij enkele vogelimporteurs (dat was gewoon een van de leuke dingen die bij zo’n dagje vogels bespreken hoorde).

Tijdens zo’n bezoek viel mijn oog op die kleine vlugge steltlopertjes: Braziliaanse witborstrallen. Dit was nu net hetgeen er thuis nog bij kon, dus richting huiswaarts met weer een andere soort voor de collectie
.
Het was een prachtig gezicht deze kleine rallen in m’n binnenvolière en vooral in en rond het vijvertje vermaakten zij zich best. Of ik een stel had was de vraag nog, want veel verschil was er niet te zien en een echte duidelijke omschrijving was niet te vinden.
Veelal als je een bepaalde soort geruime tijd in je bezit hebt, leer je ze pas kennen en wordt het seksen ook eenvoudiger, m.a.w. men kan nog zoveel lectuur aanschaffen, maar in de praktijk doe je pas de ervaring op.

Na enkele maanden vond ik een van de vogels dood (oorzaak onbekend). De andere bleef het goed doen, maar als enkeling in de volière, dat was toch eigenlijk niets. Wij behoren er tenslotte alles aan te doen om onze volièrevogels tot voortplanten te bewegen. Toen ik in november 1986 in Krommenie een keuring moest verrichten en na afloop nog even door de zaal wandelde, liep daar in de ingerichte volière een enkel ralletje. De eigenaar werd gepolst en voor een zeer sportief prijsje kwam het beestje in mijn bezit.
Na een gezellige dag vogeltjes keuren en weer een nieuwe aanwinst rijker, ga je dan echt voldaan richting huiswaarts, waarna het eerste loopje, natuurlijk U raadt het al, naar de vo1iere is.

Het klikte meteen tussen beide vogels en er was een duidelijk verschil te zien. De nieuwkomer was iets kleiner en de lichaamskleur en tekening was helderder, maar wat vooral opviel, was dat de pootkleur veel roder was als van de ral die reeds enkele jaren in mijn bezit was.
ledere avond kropen ze samen in een berkenblok van 35 x 25 cm en als de deur van de vo1ière werd geopend, kwamen de kleine kopjes nieuwsgierig uit het blok, een prachtig gezicht. Deze overnachtingsplaats bevond zich zo’n 2 meter boven de grond, maar dat is voor deze klauteraars totaal geen probleem.
Op 3 januari miste ik een ral (het vrouwtje). Deze bleek in het blok te zitten, wat voorzien was van riet en bladeren, waarop zich reeds een ei bevond.
Op 5 januari was het tweede ei aanwezig en na enkele dagen bleek dit legsel bevrucht te zijn en pas toen stond het vast dat het een koppel was.
Dinsdagmorgen 27 januari hield ik weer nestcontrole (dit doe ik overigens meestal alleen als de vogels ongedwongen hun nest verlaten). Het bleek dat 1 ei reeds was aangepikt en er was een helder gepiep waar te nemen. De dag daarop nog geen jonge ral, maar het andere ei was ook aangepikt. Toen ‘s avonds besloten werd om nog eermaal te kijken, viel het op dat beide oudervogels in het blok waren en met tegenzin werd mij een blik gegund in hun kraamkamer.
1k was in het bezit gekomen van twee jonge witborstrallen, kleine donkere donzige bolletjes, met natuurlijk direct al vrij lange pootjes, een fascinerend gezicht; uiteraard je bent er dan nog lang niet want de weg is lang van ei tot volwassen vogel en dat bleek ook wel.

Zoals bekend zijn rallen net zoals kwartels, nestvlieders, ze verlaten dus na enkele uren reeds het nest om samen met de ouders voedsel op te scharrelen. In dit geval gebeurde dat helaas niet, de jongen bleven waar ze waren en het werd een trieste afloop, want toen ze op de grond werden gezet konden ze al spoedig opgeraapt worden; de natuur heeft zo ook z’n regels.
Het tweede legsel, wat overigens maar uit een ei bestond, verliep ook zo, maar met het derde legsel ging het beter.

29 april had ik twee jonge rallen lopen, waarvan er een spoedig spoorloos verdwenen was: de dader werd gezocht richting mandarijnspreeuwen, maar zeker was dat niet. Na zo’n 9 dagen werd het jong geringd (4,5 mm) en alles verliep voorspoedig.

Het voer wat de ouders het jong aanboden, bestond uit enkele gekiemde zaden, een mengsel ei-universeelvoer en wat witbrood. De verstrekte meelwormen, wat het belangrijkste voedsel is, gaf even problemen, omdat de nachtegalen, kroonvinken en spreeuwen er als de kippen bij waren voordat de rallen ze konden bemachtigen. Maar hiervoor was een simpele oplossing: de eiwitrijke wormen werden in het vijvertje gegooid en werden zo alleen door de oeverlopertjes opgepikt, die overigens toch al het voedsel eerst door het water haalden voor ze het hun jong aanboden.
s Avonds klauteren de rallen tezamen naar boven en hebben een vaste plaats gevonden in een afgedankt nest van de tropen, hetgeen ze wat ruimer gemaakt hebben door de bovenzijde er af te slopen, het is dan een grappig gezicht, de ouders met het jong tussen hen in.

Kweken met Braziliaanse witborstrallen is geen primeur, maar blijft zeker een boeiende belevenis.


Piet Buijsman

Kweken met Roodkuifkardinalen

Kweken met Roodkuifkardinalen.

De tijd dat het kweken met bepaalde vogelsoorten als onmogelijk beschouwd werd, ligt al weer ver achter ons, en eigenlijk kunnen wij wel stellen dat er momenteel met bijna iedere soort (soms in beperkte mate) resultaten zijn te behalen. Ik ben altijd een tegenstander geweest van het houden van vogels als enkeling, voor de eventuele zang of kleur. De ons welbekende kanariepiet in de huiskamer vormt hier natuurlijk een uitzondering op.
Mijn streven is koppels te vormen en er alles aan te doen om ze tot voortplanten te bewegen, hetgeen eigenlijk de doelstelling van ons allen behoort te zijn.
Toen onze parkvo1ière zou worden bevolkt, stonden er ook Kardinalen op de lijst voor eventuele aanschaf, vanwege hun opvallende verschijning met die mooie kuif.
Hun gedrag tussen deze gemengde bevolking was zeker niet storend, ze pasten eigenlijk echt tussen de Glansspreeuwen, Rijstvogels en Wevers.
Nadat ze de wintermaanden bij huis hadden doorgebracht in een vluchtje, werden ze eind maart, toen de buitenvolière was geschilderd, daar in terug gezet. En direct al veranderde het gedrag van deze Zuid-Amerikaanse alleseters (zaad, vruchten, universeelvoer, brood, enz.), want de man probeerde op allerhande manieren in de gunst van het popje te komen.
Na enkele dagen vond ik een mozambique-sijs en een bandvink gehavend op de grond en begrijpelijk, want deze kleinere medebewoners pasten niet in de rangorde van deze grote vogels, en door de broeddrift van de Kardinalen was het lot voor de kleine zaadeters beslist.
Na enkele dagen was er in het nachtverblijf in een tralienestkastje (wat meer geschikt is voor kanaries) een komvormig nest vervaardigt van alleen maar kokosvezels, en hierin werden drie groenachtige eieren, voorzien van grijze vlekjes, gelegd. Het was wel verwonderlijk dat ze juist voor deze beperkte nestplaats hadden gekozen. Ik heb aan de dichte zijde van het kastje de tralies wat omgebogen, zodat de vogels tijdens het broeden wat meer ruimte hadden voor hun lange staart. Er werd voorbeeldig gebroed en het nest werd alleen verlaten als de volière werd betreden. Na 14 dagen waren er twee jongen, het andere ei was onbevrucht.
Je ziet het dan al helemaal voor je, na een paar weken de vogels op stok, en dat gebeurde ook; iedere dag werd er enkele keren een vers mengsel van universeel-eivoer, geknipte meelwormen en geraspte appel verstrekt. Zo werd er dagelijks verschillende keren richting parkvolière gefietst, niet alleen door mijzelf maar ook de kinderen gingen per toerbeurt met enkele meelwormen richting Kardinalen, die als het hun soms wat te lang duurde, al ongeduldig aan het gaas hingen, en daarna soms met 4 wormen tegelijk in de snavel richting jongen vlogen.
De aanwezige brutale glansspreeuwen wisten tijdens het voeren steeds wel een graantje (meelwormpje) mee te pikken. De jongen groeiden snel, met zo’ n 7 dagen werden ze geringd (4 mm). De ringen waren voorzien van een stukje ventielslang om te voorkomen dat de ouders deze glimmende voorwerpjes als ontlasting zouden zien en ze uit het nest zouden deponeren. Nu ik dit schrijf is een van de jongen bezig met z’n eerste vlieglessen; hun verenpakje is nog wat grauwgrijs en van de rode kuif is nog niet veel te zien.
Het is zeker niet de eerste keer dat er gekweekt wordt met Kardinalen, maar bijzonder is het nog steeds jongen te verkrijgen van deze buitengewoon populaire volièrevoge1s, die al reeds vele jaren geleden in kooien en volières werden gehouden om hun mooie kleuren en soms aardige zang.

Piet Buijsman.

Pruimkopparkieten

Pruimkopparkiet


Iedere vogelliefhebber, die reeds enige jaren ervaring heeft in deze vogelsport, zal beamen dat het spreekwoord, ”De aanhouder overwint”, op het kweken van verschillende vogelsoorten van toepassing is.
Helaas kan ik U niet over mijn persoonlijke kweekresultaten van een pruimkopparkiet vertellen.
Toch probeer ik U wat gegevens over de kweek met deze vogels te vertellen.
Een overjarig koppel is goed te onderscheiden. Man en pop zijn beide groen, waarbij de man een rode kop heeft, blauw overwaasd, met zwart bandje in de nek, tevens op de vleugels een roestbruine vlek. De pop heeft meer een grijze kop, geen vlekken op de vleugels; de staart is bij beiden groen overlopend in blauw en aan het uiteinde wit. De staart is bij de pop enkele centimeters korter dan bij de man.
Hun herkomst is India-Veylon.
Het is een slanke vogel, van kop tot staart 35 - 38 cm, waarvan de staart zo’n 20 cm in beslag neemt.
De man maakt tijdens de hofmakerij buigende bewegingen met zijn kop en zingt al draaiend rond de pop.
Aan ons klimaat zijn ze snel gewend maar het blijft tijdens de winter weer oppassen geblazen door ze niet op de tocht te laten zitten! Dit voorkomt bevroren tenen.
Ze zijn gemakkelijk te houden tussen tropische voge1s. Het is een prachtig gezicht als de man het popje het hof maakt. Hij bewandeld zijn zitstok, die hij al zingend en buigend helemaal heen en weer loopt, tot ze samen het vreugdelied aanheffen, waarna de man haar gaat liefkozen en voeden. Ik heb een ervaring van iemand, die deze vogels zelf heeft gekweekt, voor U opgezocht.
Het is voorjaar 1969, de pop zit in het broedblok. De kweker heeft tijdens deze periode geen paringen waargenomen. Zodra de pop in het broedblok vloog, dook de man haar achterna, zodat hij aannam dat de paring in het blok plaatsvond
Bij zijn nestcontrole was alle grove turfmolm fijn gemaakt. Eind maart lagen er 5 eieren in het blok waarvan er later één onbevrucht bleek te zijn.
Pruimkoppen zijn vrij schuwe vogels en vooral de pop bleek erg schuw te zijn. Bij de nestcontro1e ging ze echter nooit uit het blok. Ze kroop dan in een hoekje, zodat hij toch de eieren kon bekijken. Hij spoot elke dag met de bloemenspuit door het vlieggat naar binnen om de zaak goed vochtig te houden. In april lagen er drie jonge pruimkoppen in het blok en was er één bevrucht ei weg.
In de eerste week zijn de jongen met gele dons overdekt, wat echter reeds na een week is verdwenen. De man zorgt dat het voedsel wordt aangedragen.
Tijdens de eerste dagen van uitkomst verbleef ook de man 's nachts in het broedblok, terwijl hij anders altijd boven op het blok sliep.
Na 10 dagen gingen de ogen open en kwamen de eerste slagpennen door. Ze bleven verder kaal tot ze drie weken waren en de vleugels bijna compleet. Daarna kwamen de jongen voor het vlieggat kijken en 41 dagen na het uitkomen vloog het eerste jong rond en de volgende 2 dagen de andere twee. Ze vlogen snel en onbeheerst omdat ze erg schuw waren. Ze gingen niet meer terug in het broedblok.
Bij het uitvliegen van deze jonge vogels bleek dat de kleur van zowel de mannen als de poppen gelijk waren en ook hun staarten waren van klein formaat.
Ze werden nog volop door de man en de pop gevoerd en na ongeveer zeven weken begonnen ze vers onkruid en fruit te snoepen.
Na ongeveer 2½ maand werden ze voor het laatst door de man gevoerd.
Na de jeugdrui, toen ze zes maanden waren, veranderde hun groene kop in grijs en leken ze dus geheel op de pop. Het voedsel bestond tijdens deze broed uit: kanariezaad, gemengd tropenzaad, grote parkietenzaad met extra zonnepitten en paddi. Verder dagelijks vers onkruid, o.a. paardebloemen, vogelmuur, kortom alles wat hij aan onkruid kon vinden. Elke dag vers gekiemd zaad, eivoer, fruit. Ook twee keer per week verse wilgentakken, waaraan ze graag knabbelen.
Het zijn mooie vogels, die geen enkele andere vogel kwaad doen, behalve andere grote parkieten.
Iedereen die het geduld op kan brengen en bij zijn kleine vogels ook eens een koppel grote parkieten wil houden, zijn deze vogels warm aan te bevelen.
Het zijn beslist geen grote knagers en bij vo1doende groen in de volière en op tijd verse wilgentakken, laten ze de bomen met rust.
Ook is deze vogel een geliefd tentoonstellingsobject. Indien ze op kleur zijn vallen ze meestal in de prijzen.

 

R.B. te Pas.

 

Vreemde vogels?

Vreemde vogels?

Je hoort wel eens de opmerking: “het is een vreemde vogel”, of “wat een vreemde vogel”, of “het is een rare vogel”. Er zijn dus heel wat gezegdes die op dieren slaan en dus ook op of over vogels.
Maar waar ik het over hebben wil gaat echt over onze vogelhobby namelijk: “Wat een rare vogels”.
Vorig jaar heb ik een stukje in het clubblad geschreven over een stel pruimkopparkieten. Even iets terughalen van dat artikeltje:
Mijn stel pruimkopparkieten lieten de eieren zo vanaf de stok of van de nestkast afvallen, maar legden ze niet in een broedblok, terwijl ik nog wel een paar keer ’n ei wat toevallig nog heel op de grond gevonden werd in het broedblok legde. Toen heb ik een nestkast op de grond gezet, met daar bovenop nog een nestkast, maar ondanks de keus uit inmiddels drie kasten legden zij de eieren op de grond. Ze legden ze achter een pol gras, zodat het haast onvindbaar was, maar wel met vier eieren er in. Dit was in het kort mijn artikeltje van vorig jaar.
De uitslag van dat broedsel was dat de eieren niet zijn uitgekomen. Ik vermoed dat de grond te koud en te vochtig is geweest. Als ik eerder had bemerkt dat de grond gebruikt werd om een nest te maken had ik dit mogelijk kunnen voorkomen. Door bijvoorbeeld zand, molm, potgrond, zaagsel of houtsnippers op de grond te gooien was de grond mogelijk beter geschikt geweest om een nest te maken, maar dit is achteraf gezegd en of deze maatregelen zouden hebben geholpen blijft een raadsel.
Maar nu het jaar 2001.
Hetzelfde koppel pruimkoppen. Er was wel wat gerommel in de nestkast, maar niet echt veel activiteiten. Wel werd er (u raad het al) op de grond, door een balkje heengeknaagd, wat  tussen de binnen- en de buitenvlucht zit. Half door het balkje en half door de grond kwamen zij in het er achterliggende nachthok.
Nu had ik een probleem, want de grond in het nachthok blijft nog kouder dan in mijn buitenvlucht waar de zon regelmatig in schijnt.
Ik heb een oplossing gevonden en de pruimkoppop was hier blijkbaar tevreden mee, want nadat ik er een paar dagen op uit was, lagen er twee eieren.
De oplossing die ik had gevonden was uiterst simpel en eenvoudig. In het nachthok heb ik een nestkast op een paar plankjes gezet, vlak bij de plek waar zij door de grond en het balkje zijn gegaan. Dit was een succes!
In het kort komt het er op neer dat vogels zelf wel uitmaken waar en hoe zij broeden. Vogelliefhebbers denken vaak dat zij zelf alles weten, maar wij zijn in de ogen van de vogels zelf vaak maar “Vreemde Vogels”.

Th. Kok.